De assurance-opdracht van de accountant was eigenlijk een persoonsgericht onderzoek. Niet-ontvankelijkheid wordt omzeild door nadere vragenbrief.

Een besloten vennootschap (hierna: BV) verkoopt en draagt haar onderneming over aan een zustermaatschappij per 1 juli 2009 voor een bedrag van € 2.659. De BV wordt in 2013 failliet verklaard en er wordt een curator aangesteld.

 

De curator schakelt twee accountants in met de vraag om een rapportage op te stellen met betrekking tot de overname van de onderneming van de BV, alsmede de verwerking hiervan in de financiële administratie. Op 8 december 2014 brengen de accountants hun rapport uit. In het rapport geven ze in eerste instantie aan dat er geen accountantscontrole is toegepast en dat er geen beoordeling is uitgevoerd. Voorts geven ze aan dat er alleen maar zekerheid kan worden ontleend aan hetgeen waarover ze rapporteren. In hun rapport wordt de conclusie getrokken dat de ‘contractwaarde’ na aftrek van kosten en afschrijvingen (…) € 805.355 bedroeg.

 

De curator verstuurt het rapport van de accountants naar het bestuur van de BV en vordert hij betaling van een bedrag van € 805.355. Vervolgens start de curator een gerechtelijke procedure waarin hij mede het rapport van de accountants inbrengt. Het bestuur van de BV wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de boedel van € 805.355.

Het bestuur van de BV schakelt zelf een accountant in om (een onderdeel) van het rapport van de accountants te beoordelen. De ingeschakelde accountant door de BV concludeert (in een memo van 19 september 2017) dat er sprake is van een veel lagere waarde (hierna aan te nemen; een lagere contractswaarde) dan dat de accountants van de curator hebben berekend. De advocaat van het bestuur vraagt aan de accountants van de curator om te reageren op de bevindingen van de accountant van het bestuur.

 

Het bestuur van de BV dient een klacht in tegen de accountants van de curator bij de Accountantskamer (hierna: Ak). De klacht omvat de volgende onderdelen;

  • Het rapport is in strijd met Standaard 4400N;
  • Hetrapport is niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen;
  • De waarde van de overgedragen activa en passiva is op een onjuiste wijze berekend;
  • Het rapport bevat onwaarheden en is suggestief;
  • Voorafgaand aan het uitbrengen van het rapport heeft ten onrechte geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden;
  • Betrokkenen hebben hun rapport toegeschreven naar een door hun opdrachtgever gewenste uitkomst;
  • Betrokken hebben naar aanleiding van het schrijven van de advocaat van klagers van 2 oktober 2017 hun eerdere fouten niet gecorrigeerd, terwijl zij wisten waarvoor hun rapport gebruikt was.

 

De Ak stelt vast dat de klachtonderdelen a. tot en met f., die allen gericht zijn tegen het rapport van de accountants niet-ontvankelijk zijn omdat de objectieve 6-jaarstermijn en de subjectieve 3-jaarstermijn is verstreken.

 

Klachtonderdeel G. wordt door de Ak wel ontvankelijk geacht en wordt ook inhoudelijk behandeld. Ten aanzien van dit klachtonderdeel is de Ak van mening dat de betrokken accountants hadden moeten inzien welke rol hun rapport heeft gespeeld in de juridische procedure. Bij het inzien hiervan hadden ze zich voorts moeten vergewissen of er omstandigheden zijn (geweest) die een bedreiging konden vormen voor de fundamentele beginselen. De Ak stelt vast dat zij dit niet hebben ingezien. Volgens de Ak is hierdoor al door de accountants in strijd gehandeld met de VGBA.

 

Volgens de Ak is de uitkomst van het onderzoek van de accountants negatief op klagers teruggeslagen

 

De Ak is van mening dat de accountants, na het ontvangen van de brief van de advocaat, hadden moeten onderkennen dat het onderzoek dat aan het rapport ten grondslag lag alsmede gezien de betekenis die aan het rapport was gehecht er eigenlijk sprake was van een persoonsgericht onderzoek. Het object van onderzoek was immers het handelen of nalaten van BV en haar bestuur, in het kader van de overdracht van de onderneming. Want, volgens de Ak, is de uitkomst van het onderzoek van de accountants negatief op klagers teruggeslagen. Dat zijn bij uitstek omstandigheden die volgens vaste jurisprudentie van het CBb kenmerkend zijn voor een persoonsgericht onderzoek. In het bijzonder hadden de accountants hoor- en wederhoor moeten toepassen.

 

Bovendien stelt de Ak vast dat er in het rapport van de accountants geen opsomming van werkzaamheden is opgenomen op basis waarvan zij tot hun bevindingen zijn gekomen. Ook is er geen opsomming van werkzaamheden opgenomen in hun opdrachtbevestiging en is het niet duidelijk welke beoordelingsmaatstaven de accountants hebben gebruikt bij het formuleren van hun conclusie. Tevens is het evenmin niet duidelijk welke veronderstellingen door hun zijn aangenomen dan wel of er enig voorbehoud is gemaakt bij het formuleren van hun conclusie. Tot slot blijkt uit het rapport van de accountants dat het simpelweg niet duidelijk is wat ze bedoelen met ‘contractwaarde’.

 

De Ak acht deze klacht gegrond en legt een maatregel van berisping op.

 

Annotatie redactie

Wat in eerste instantie kennelijk een simpele (assurance) opdracht leek is de betrokken accountants helaas toch duur komen te staan. Echter zijn er in deze uitspraak toch enkele onduidelijkheden te noemen die we hier belichten. In de eerste plaats de aard van de opdracht. Uit de feiten blijkt niet duidelijk af te lezen welke opdracht de accountants van de curator hadden aanvaard. Enkel uit de verklaring dan wel rapportage van de accountants valt af te lezen dat ze kennelijk wel zekerheid hebben getracht hebben te verstrekken.

Wat derhalve opvallend is, is dat bij eerste lezing nagenoeg alle klachten van de klagers als niet ontvankelijk worden beschouwd doordat de objectieve- en subjectieve klachttermijn is overschreden. Echter door het, volgens de Ak, niet deugdelijk beantwoorden van een ‘vragenbrief’ van de advocaat, zien zij alsnog de noodzaak om zich over alle klachten van de klagers te buigen. De klagers hebben naar onze opvatting, door het sturen van de vragenbrief, de niet-ontvankelijkheidstermijn verlengd waardoor de Ak alsnog inging op de klachten die het hiervoor niet ontvankelijk achtte. Naar onze opvatting kan het niet de bedoeling zijn dat door deze simpele exercitie de ontvankelijkheidstermijn wordt opgerekt.

 

De Ak blijft vasthouden aan het criterium dat  er al snel sprake is van een persoonsgericht onderzoek

 

Ten aanzien van de vraag of de opdracht had moeten gekwalificeerd als een ‘persoonsgericht onderzoek’ trekken wij ook sterk onze twijfels. De Ak blijft vasthouden aan het criterium dat als een accountantsrapport nadelige gevolgen heeft voor de klager als persoon, er al snel sprake is van een persoonsgericht onderzoek. Dit is naar onze opvatting een stelling wat te kort door de bocht is. Een accountantsrapport gericht op een persoonsgericht onderzoek bevat veelal subjectieve maatstaven en elementen welke aan de deugdelijkheid en kwaliteit ten grondslag liggen. Dat dit nadelige gevolgen kan hebben voor de onderzochte persoon in kwestie is duidelijk. De gedraging van een persoon staat immers  vaak centraal. Maar een accountantsrapport wat gebaseerd is op objectieve maatstaven en elementen kan ook nadelige gevolgen hebben voor een persoon, ondanks dat het accountantsonderzoek niet op hem is gericht. Een dergelijk accountantsrapport respectievelijk de opdracht van de accountant waaraan het rapport onderhevig is, kan dan niet worden gezien als een persoonsgericht onderzoek. De Ak zou meer toetselementen moeten aanleggen alvorens ze tot deze conclusie komen. Ook het simpelweg verwijzen naar een uitspraak van het CBb doet naar onze mening geen recht aan het feit dat niet in alle gevallen waarin het accountantsrapport nadelig uitpakt voor een persoon kan worden bestempeld als een persoonsgericht onderzoek.